De paradox van de industriële automatisering
We schreven er een paar jaar geleden al over. Je zou zeggen dat de automatisering ervoor zorgt dat er steeds meer ‘vanzelf’ gaat en er steeds minder hulp van externe deskundigen nodig is. Natuurlijk vooral voor die bedrijven die het ‘allemaal voor elkaar’ hebben, met smart systemen, remote access, en slimme configuratiesoftware. Maar ook daar is er voor die externe deskundigen, waaronder de systeemintegrators, alleen maar meer te doen.
We noemden het niet voor niets paradoxaal. Want je zou verwachten dat in deze ‘online-wereld’, waarin steeds meer via de cloud werkt – maar ook waarin mensen steeds makkelijker alles kunnen googelen, het voor gebruikers makkelijker zou worden om zelf hun industriële automatiseringsvraagstukken op te lossen.
Aan de ene kant is dat natuurlijk ook zo, maar aan de andere kant nemen vooral de softwaregestuurde mogelijkheden dermate exponentieel toe, dat ongeoefende en onervaren technici al snel door de bomen het bos niet meer zien. Vandaar dat de systeemintegratoren de markt duidelijk proberen te maken dat fenomenen als industriële automatisering en motion control veel meer zijn dan het combineren van geavanceerde componenten met al dan niet dedicated software. Ook een puntje: manuals worden met de verpakking weggegooid. En als men er dan niet uitkomt, wordt er wel op het web gezocht maar dan nog – meer dan 70% van de vragen bij een helpdesk heeft te maken met onkunde of het simpelweg niet lezen van de (digitale) manual.
Begin bij het begin
Waar het nu en in de toekomst op neerkomt, is ervaring en expertise. Je moet bovendien bij het begin beginnen en dus bij functionaliteit. Veel technici beginnen meteen op internet te zoeken naar servo’s, stappenmotoren, spindels, tandriemen, encoders, visionsystemen, sensoren, plc’s, bussystemen, etc. Maar wacht even. Waar hebben we het eigenlijk over? Neem zoiets simpels als een verouderde, conventionele productielijn. “Niet meer van deze tijd, afgeschreven, klaar voor vervanging,” is vaak de eerste reactie van de afdeling TD. Die wil een ‘state-of-the-art’ nieuwe lijn neerzetten, bomvol digitale technologie, bussystemen, robots, vision, noem maar op. Maar is dat wel nodig?
Begin met het kijken naar de functionaliteit van die lijn en de bottle-neck die je wilt oplossen. Niet zelden realiseer je een mega-verbetering – zowel op efficiëntie als op verbruik, door oude draaistroommotoren en eindschakelaars te vervangen door servomotoren met encoders en sensoren. Daarmee kan een bestaande lijn zo maar twee keer zo snel worden en vier keer zo nauwkeurig en kan hij weer jaren mee. Dit bovendien tegen een veel lagere investering dan een compleet nieuwe lijn zou hebben gekost.
KIS
Nog steeds blijkt het nodig om ervoor te pleiten om in systemen te denken. Eerst in oplossingen en pas daarna in componenten. En beter nog: Laat dat laatste aan de systeemintegrator over. Die weet waarover hij praat en kent de valkuilen waarin iedere aan digitale techniek beginnende techneut steevast valt. Kan het simpel, houd het dan simpel. Probeer ook niet zelf aan oplossingen te beginnen die vanaf het begin al te ambitieus blijken.
Zo kun je kijken naar je wens voor de capaciteit van een productielijn en daarbij zoeken hoe je dat kunt realiseren. Maar draai het eens om en begin bij de beschikbare technologieën. Hoe kun je op een slimme manier gebruiken wat beschikbaar is in de markt. Wat moet daaromheen qua logistiek om die maximale capaciteit ook te kunnen verwerken. Zo weet je zeker dat je een werkbare oplossing hebt, en dat je het maximale resultaat haalt met bewezen componenten. Dat kan soms een resultaat zijn dat hoger ligt dan je je had kunnen voorstellen als je uitgaat van je wens. We gebruikten eerder het voorbeeld van een printlijn. Blikjes bedrukken en dat het liefst zo snel mogelijk. Hoe snel is dat dan? De gedacht was dat vijfhonderd of zelfs duizend per minuut wel extreem snel zou zijn. De vraag werd omgedraaid en wat blijkt: de lijn kan er maar liefst tweeëntwintighonderd (!) aan per minuut. Met een moderne kreet is dat eigenlijk niets meer en niets minder dan omdenken. Wat wíl je, of wat kán je. Het één kan wel eens heel wat meer opleveren dan het ander.
Veel gepraat
En zo ook als het gaat over data. Big data: we praten er veel over, maar er zijn zoveel data dat het lastig is om te bepalen waar je begint. Wat we nu zien is dat iedereen data genereert en verzamelt, maar nog weinigen het kapitaal die die data vertegenwoordigen, ook echt weten te gebruiken. Als je weet wat je ermee wilt – maar ook hoe, kun je dat kapitaal inzetten om dingen te verbeteren en te controleren. Ook voor Industrie 4.0 is dat heel belangrijk. Data moet informatie worden. De systeemintegratoren van deze wereld hebben voorlopig hun handen nog vol om iedereen daarbij te helpen. Maar dat is nou precies waar we goed in zijn en wat we graag doen. Dus kom maar op!
Steeds vaker zie je verschuivingen van bijvoorbeeld een motioncontroller naar een nog intelligentere plc-cpu. Dat maakt het voor een gemiddelde programmeur toegankelijker en ogenschijnlijk simpeler.
Maar is dat nu een goede vervanger? Voor de eenvoudige toepassingen zeker wel. Maar bij dit alles blijft gelden dat je de natuurkunde van het proces wel goed moet snappen wil je het ook in een cpu kunnen aanpakken. En dan ontdek je dat “simpel” niet eenvoudig is. Vakkennis blijft noodzakelijk.